Only one in Japan

“Only one?”, vragen ze, terwijl ze een wijsvingertje in de lucht houden en hun ogen groot maken. Net alsof ze een beetje teleurgesteld zijn dat er niet meer mensen komen. Maar nee, echt: Japan lijkt bijna gemaakt om alleen te reizen. Japan lijkt ook bijna gemaakt voor introverten. Dit land zet ge helemaal naar uw hand. Het is deze keer geen toeristisch cliché, maar er is letterlijk voor elk wat wils: bergen, bossen, stranden, steden, eten, musea.

Tokyo

FOMO hebben op voorhand: het kan u alleen maar overkomen in Japan. Toen ik in Tokyo de volgende twee weken Japan aan het plannen was, moest ik al hartverscheurende keuzes maken. Zelfs al ging ik hier de volle vijf weken zijn.

Ik hield het rustig, die eerste namiddag in Tokyo. Ik zat in Bunka Hostel, dat zo mooi was dat ik bijna niet naar buiten wilde. Senso-Ji lag letterlijk om de hoek, dus dat was handig. Erna probeerde ik samen met een wat ouder Frans koppel hét tempura-restaurant van Asakusa te lokaliseren, zonder veel geluk. Gelukkig moest ik niet ver voor wat gyoza’s. All the nomz.

De dag erna: nog meer plannen, nog meer rustige dingen. Kuieren door Ueno Park, het Tokyo National Museum, de Yanaka-buurt. En ‘s avonds dan wél tempura met sobanoedels eten, in een restaurant dat Quentin Tarantino gebruikte als inspiratie voor deze scène. En de rest van Tokyo? Dat bewaar ik shopping-strategisch-gewijs voor mijn laatste week in Japan.

Hakone

Oké Hakone: foute keuze. Ik steek het op mijn post-vluchtboekmomentje. Heel on-introvert van mij om zonder veel research een plek te kiezen om eigenlijk maar één ding te zien: Mount Fuji. Of beter gezegd: Mount Foetsie. Ook foetsie: mijn camera… en mijn zin om te socializen met de mensen in mijn nogal sociaal hostel.

Foetsie 1: de berg. Dag één was superzonnig, dus ik was in mijn hoofd al onnozele seal-klapjes van geluk aan het maken. Maar zelfs met die heldere hemel zag je enkel de schaduw van de berg. Als je héél goed keek. Gelukkig was er de zonsondergang. Dag twee wilde ik het kabelbaantje proberen, maar dat was gesloten wegens vulkanische gassen.

Foetsie 2: mijn fototoestel. Ik bezocht het openluchtmuseum in Hakone, waar ge trouwens op één uur rond zijt. Toen ik de top van een andere berg bereikt had en mijn fototoestel wilde nemen om een foto te nemen van het uitzicht, kreeg ik een mentale flits in mijn hoofd van de wc’s in het openluchtmuseum, waar ik mijn camera op de wastafel had laten staan. Twee treinen terugnemen, en blijkbaar lag hij mooi aan de receptie op mij te wachten. Only in Japan.

Foetsie 3: mijn zin om te socializen. De eerste avond was ik té veel bezig met mijn iPhone terug in het rijk der levenden te krijgen – er is niets zo erg als reizen zonder iPhone en Google Maps. De tweede avond in K’s House was ik eten aan het maken, toen er iemand naast mij vroeg of er mensen Nederlands praatten. Ik weet niet waarom ik ‘Ik!’, zei, maar ik zei ‘Ik!’. En gelukkig maar, want ik heb er een heel fijn gesprek met een Azië-correspondente van De Standaard aan overgehouden.

De Japanse Alpen

Van Hakone naar Odawara, Nagoya en … Takayama. De trein van Nagoya naar Takayama heet ‘Limited Express Wide View Hida’ en dat was niet gelogen: de ramen waren extra groot, het landschap waarin je binnenrijdt extra indrukwekkend. Ik voelde het meteen toen ik er toekwam: frisse berglucht. Wandelen door een stadje met charmante huisjes, klaterende riviertjes en smullen van Hida-beef klaargemaakt boven een kaarsje. En heel veel bergen. Echte bergen, en andere bergen.

Berg 1: het ‘Only one in Japan’-syndroom. Een berg die ik in Takayama niet echt overwonnen heb. Ik was al zo gewoon aan alleen reizen, dat ik een innerlijke diepe zucht liet toen ik in K’s House in Takayama een Nederlandse moeder en haar dochter luid hoorde praten. De ochtend erna kreeg ik in de keuken een luide ‘Goodmorning’, en ik gooide een ‘Goeiemorgen!’ terug. De moeder bleef verder Engels praten – zonder te vragen van waar ik kwam. Er was een moment waarop ik dacht ‘Zou ik het zeggen?’, en toen dat moment voorbij was, was er geen weg terug. Ontwijken en Engels blijven praten de volgende dagen, hoe awkward het ook was.

En zo kon ik op m’n eentje genieten van handgemaakte sobanoedels, van een hipstermarktje, en van een uitstapje naar Hida Village, het Bokrijk van Takayama – een soort van openluchtmuseum waar ze oude technieken demonstreren

Dus at ik een hardgekookt eitje uit een hot spring (wie heeft er eierkokers nodig?) en nam ik de bus naar Kamikōchi. Letterlijk en figuurlijk het hoogtepunt van mijn reis. Ik slalom behendig tussen alle toeristen, zodat het toch voelde alsof ik er alleen was. Vlindertjes poseerden gewillig op kleurrijke bloemen, turquoise meertjes schitterden in het zonnetje en ik, ik was gelukkig.

Kanazawa

Nog meer van dat ‘Ja ik ben hier helemaal alleen’-gevoel in Kanazawa. Kenroku-en is heerlijk, het achtertuin-game van de Japanners is echt wel on point. Maar in het 21st Century Museum – aka het museum met het zwembad – viel er mij iets op. Namelijk dat ge er alleen leuke foto’s kunt nemen als ge met twee zijt: iemand die vanonder iets grappigs doet en iemand die vanboven een foto neemt. Of omgekeerd. Het museum zélf was zwaar de moeite, met onder andere lifesize Muji-verpakkingen. Ook het DT-Suzuki museum was de moeite. En ook mijn hostel was de moeite. Die Japanners weten hoe ze hostel moeten spelen, en het HATCHi-hostel was absoluut een topper.

En chance dat ze daar bij HATCHi (ik bedenk nu pas dat het klinkt als een niesje) het a.k.a restaurant hadden. Want in Kanazawa ontdekte ik dat er een verschil is tussen ’s avonds alleen op restaurant gaan en alléén op restaurant gaan. As in: naar Huni dining bar willen gaan, buiten wachten tot het opengaat om 18u, en dan na drie kwartier toch maar afdruipen omdat er niemand binnenging en ge heel veel honger hebt. De andere avond dan maar gewoon gekookt voor mijzelf, en twee Japanse meisjes lieten mij proeven van hun saké en sushi.

In Kyoto ben ik niet meer zo alleen, beloofd.

%d bloggers like this: